In het kort
BRMO zijn bacteriën die ongevoelig zijn voor bepaalde antibiotica. Ze kunnen zich gemakkelijk verspreiden in de zorg. Daarom is het belangrijk dat zorgverleners weten of een patiënt drager is van een BRMO. Deze RTA bevat afspraken over hoe ziekenhuizen, huisartsen, verpleeghuizen, wijkverpleging, verloskundigen, de ambulance en de GGD elkaar informeren over BRMO-dragerschap. Zo kunnen ze op tijd de juiste maatregelen nemen om verspreiding te voorkomen.
Arts-microbioloog vermeldt ‘BRMO’ en het type op de kweekuitslag. Geeft de uitslag door aan de aanvrager. Meldt meldingsplichtige BRMO aan de GGD.
(Hoofd)behandelaar vertelt de patiënt over de uitslag en de gevolgen. Legt de uitslag vast in het EPD.
Deskundige infectiepreventie registreert de BRMO in het EPD (label). Informeert de verpleegafdeling. Stuurt informatie naar patiënt en huisarts.
Bij transfer uit het ziekenhuis: de behandelaar vermeldt BRMO in de medische overdracht; de transferverpleegkundige registreert het in de nazorgaanvraag; de verpleegkundige vermeldt het in de verpleegkundige overdracht en informeert de ambulance.
Bij transfer naar het ziekenhuis: de behandelaar legt een isolatielabel vast; de verpleegkundige voert een risico-inventarisatie uit.
Bij een kweekuitslag: belt de patiënt, legt uit wat BRMO betekent, wijst op het belang van doorgeven aan andere zorgverleners, verwijst naar informatie op diamid.nl of thuisarts.nl. Vraagt of er wijkverpleging is.
Informeert betrokken wijkverpleging en woonzorginstelling: schriftelijk (VIPlive of Zorgmail).
Legt de BRMO vast: in het HIS (ICPC-code A99.02, type BRMO, probleemstatus).
Meldt meldingsplichtige BRMO: of een cluster aan de GGD.
Bij transfer naar ziekenhuis of instelling: vermeldt BRMO in de verwijzing (via ZorgDomein automatisch of telefonisch bij spoed). Informeert de ambulance.
Bij ontslag naar huis: legt BRMO vast in het HIS (zoals boven).
Regiebehandelaar vertelt de cliënt (of contactpersoon) over de uitslag, de gevolgen en het belang van doorgeven. Verwijst naar informatie. Informeert de zorgafdeling. Legt vast in EPD. Meldt meldingsplichtige BRMO aan GGD.
Locatiemanager meldt een cluster of uitbraak aan GGD.
Zorgbemiddeling voert voor opname een risico-inventarisatie uit en informeert de arts en afdeling.
Bij transfer naar ziekenhuis of andere instelling: regiebehandelaar vermeldt BRMO in de verwijzing (telefonisch bij spoed), informeert de ambulance. Zorgmedewerker neemt BRMO op in de verpleegkundige overdracht.
-
Bij ontslag naar huis (met wijkverpleging): regiebehandelaar vermeldt BRMO in ontslagbrief; zorgmedewerker neemt het op in de verpleegkundige overdracht.
Wijkverpleegkundige informeert de huisarts over betrokkenheid. Vraagt bij intake naar BRMO-status bij cliënt. Registreert dit in cliëntdossier en informeert het team.
Bij laboratoriumuitslag (kweek aangevraagd door huisarts) registreert de wijkverpleegkundige de BRMO en informeert het team. De zorgprofessional informeert betrokken behandelaars (met toestemming cliënt).
Bij transfer naar zorginstelling: neemt de BRMO op in de verpleegkundige overdracht (alleen bij geplande opname).
Voert een risico-inventarisatie uit voor de bevalling. Neemt zo nodig kweken af (of maak afspraken met huisarts).
Communiceert de uitslag (als aanvrager) aan de patiënt, legt uit, verwijst naar informatie.
Legt BRMO vast in EPD en op de zwangerschapskaart.
Bij transfer naar ziekenhuis voor bevalling: informeert de behandelend arts telefonisch. Bij verwijzing naar gynaecoloog vermeldt BRMO op de zwangerschapskaart.
De meldkamercentralist vraagt bij aanmelding voor ambulancevervoer naar de BRMO-status van de patiënt.
-
Houdt overzicht van meldingsplichtige BRMO en clusters in de regio.
-
Verstrekt zo nodig informatie over BRMO en maatregelen.
-
Voert bron- en contactonderzoek uit indien nodig.
In de volledige RTA (pdf) staan de contactgegevens van de betrokken experts. Heb je een vraag of opmerking? Mail naar info@rsotrijn.nl.
Laatste inhoudelijke wijziging: 16 juni 2026