In het kort
De RTA Hartfalen bevat afspraken over de diagnostiek, behandeling en samenwerking bij patiënten met hartfalen. Het is duidelijk wie de hoofdbehandelaar is (huisarts of specialist) en hoe zij verwijzen, terugverwijzen en communiceren. Steeds met aandacht voor optimale zorg op de juiste plek. Hieronder staat een video voor praktisch gebruik en een samenvatting van de belangrijkste afspraken. In de pdf vind je de volledige inhoud.
-
Het regiebehandelaarschap wordt overgenomen door de cardioloog of verpleegkundig specialist op het moment dat de huisarts de patiënt verwijst. Bij terugverwijzen volgens afgesproken criteria wordt het regiebehandelaarschap weer overgedragen aan de huisarts.
-
De regiebehandelaar is verantwoordelijk voor het starten en opbouwen (titratie) van hartfalenmedicatie.
Behandeldoelen van medicatie bij hartfalen
-
Het bereiken van euvolemie (het ontzwellen van de patiënt).
-
Verbetering van de verwachting (prognose) van hartfalen (ziekte modificeren).
De medicatie die de prognose beïnvloedt, wordt voorgeschreven op basis van de pompfunctie (systolische functie) van het hart. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën:
-
Hartfalen met een sterk verminderde pompfunctie (HFrEF, linker ventrikel ejectiefractie ≤40%)
-
Hartfalen met een iets verminderde pompfunctie (HFmrEF, linker ventrikel ejectiefractie 40-49%)
-
Hartfalen met een normale pompfunctie (HFpEF, linker ventrikel ejectiefractie ≥50%)
-
Behandeling van de oorzaak van hartfalen en/of andere ziekten die samen voorkomen (comorbiditeiten).
-
Bij de behandeling van hartfalen is het belangrijk om medicatie geleidelijk op te bouwen (titratie). Zo worden bijwerkingen zo klein mogelijk gehouden en wordt de werking zo goed mogelijk.Bekijk de titratieschema’s.
-
Voorlichting over hartfalen, de behandeling en de leefregels aan de patiënt wordt gestart door de regiebehandelaar.
Diagnostiek
-
De huisarts verricht een ECG en bepaalt de (NT-pro) BNP-waarde.
-
De huisarts vraagt een echocardiografie aan vanuit de eerste lijn en gebruikt daarbij het “aanvraagformulier echocardiografie”.
-
De huisarts ontvangt van de cardioloog advies over verdere diagnostiek of behandeling. Dit bestaat uit de conclusie van het echocardiografieverslag en een behandeladvies.
Bekijk het stroomdiagram diagnostiek.
Diagnostiek
-
In de eerste lijn beoordeelt of superviseert de cardioloog het echocardiogram dat is uitgevoerd en voorziet dit van een advies voor verdere diagnostiek of behandeling.
-
Dit advies bevat zowel een conclusie van het echocardiografieverslag als een behandeladvies aan de huisarts.
Bekijk het stroomdiagram diagnostiek
Consultatie
-
De cardioloog kan de huisarts consulteren over niet-cardiale andere ziekten (co-morbiditeit) en informatie over de context van de patiënt.
Terugverwijzen
Patiënten kunnen worden terugverwezen naar de huisarts wanneer:
-
hartfalen niet wordt vastgesteld na een diagnostisch traject
-
er sprake is van volledig herstel van de pompfunctie van de linkerkamer
-
er sprake is van de best mogelijke medicamenteuze behandeling (individueel bepaald) met een niet volledig herstelde pompfunctie, maar de patiënt is wel stabiel
-
er sprake is van hartfalen met een normale pompfunctie (HFpEF), tenzij er bijkomende cardiologische problemen zijn of frequente ziekenhuisopnames dit niet toelaten
-
er sprake is van een kwetsbare, oudere patiënt waarbij controles in de tweede lijn geen meerwaarde hebben ten opzichte van de eerste lijn
-
er sprake is van eindstadium hartfalen en een patiënt in de laatste fase van palliatieve zorg ofwel de terminale fase van het hartfalen geraakt
Palliatieve zorg
-
In het geval van een APC-traject (Advanced Palliative Care) is het heel belangrijk dat er goed contact is tussen de eerste en tweede lijn. Samen met de patiënt en zijn of haar naasten wordt het behandeltraject opgezet.
Revisiedatum: 29 april 2026